Wat voor alle stukken geldt
Je mag niet naar een veld waar al een eigen stuk staat. Je mag wél naar een veld waar een stuk van je tegenstander staat: dat stuk gaat dan van het bord. Alleen het paard kan over andere stukken heen springen.
Hoe de stukken bewegen
- Koning: elke richting, één veld per keer. Niet naar een veld waar hij schaak zou staan, dus ook niet naast de vijandelijke koning.
- Dame: elke richting, zo ver als ze wil.
- Toren: alleen recht, zo ver als hij wil.
- Loper: alleen schuin, zo ver als hij wil. Blijft de hele partij op dezelfde kleur.
- Paard: een veld schuin en een veld recht, in een L-vorm.
- Pion: bij de eerste zet één of twee velden vooruit, daarna één veld per beurt. Slaat schuin naar voren.
Hoe de partij eindigt
Val je de koning aan, dan staat hij schaak en moet je tegenstander daaraan ontsnappen. Kan dat niet, dan is het schaakmat en heb je gewonnen.
Een partij kan ook remise eindigen: bij pat, wanneer de speler die aan zet is niet schaak staat maar geen enkele legale zet kan doen. Ook als de spelers het samen overeenkomen, als er te weinig stukken over zijn om mat te zetten, als dezelfde stelling drie keer voorkomt, of als er vijftig zetten lang geen pion is verzet en geen stuk geslagen.
Drie bijzondere zetten
- Rokeren: de enige zet waarbij je twee stukken tegelijk verplaatst. Zet je koning twee velden opzij en de toren uit de hoek direct daaroverheen, naast de koning. Bij de korte rokade schuift de toren twee velden op, bij de lange drie. Voorwaarden: de koning staat niet schaak, gaat niet over een veld waar hij schaak zou staan, staat na afloop niet schaak, koning en toren hebben nog niet bewogen, en er staan geen stukken tussen.
- Promoveren: bereikt een pion de overkant, dan verandert hij in een dame, toren, loper of paard naar keuze.
- En passant: doet een pion vanaf zijn beginpositie twee stappen en komt hij daarmee direct naast een vijandige pion te staan, dan mag die pion doen alsof de eerste maar één veld was gegaan en hem slaan. Dit kan alleen bij de eerstvolgende zet.